0 2 minuten 2 maanden

Mijn Tante Annie

Mijn tante Annie, de vrouw van mijn vaders broer Harm, die buschauffeur bij de GVU was, vond ik een mooie vrouw. Met zo iemand zou ik later wel willen trouwen. Dus werd ik in de jaren vijftig alvast verliefd op haar dochter Hermien. Toen ik dat aan mijn vriendje Rob vertelde, zei hij dat je nooit met een nicht kon trouwen. Daar kreeg je achterlijke kinderen van.

Tante Annie woonde in de Tuinwijkse Melis Stokestraat, vernoemd naar een Nederlandse schrijver uit de dertiende eeuw. In één plusminus negentienhonderd gebouwde wijk, op loopafstand van onze Kievitdwarsstraat, in de Vogelenbuurt, de zogenoemde wijk M, eind achttienhonderd voor Joodse vluchtelingen gebouwd in de Middeleeuwse polders van zes en twaalf hoven.

De huizen in onze buurt waren praktisch, smal en hoog. De huizen in Tuinwijk hadden wat rustieks. Ze waren opgetrokken in de Amsterdamse school. Een bouwstijl die zich kenmerkt door gebruik van expressieve aan het expressionisme verwanten vormen. Heel anders dan de door gootpijpen gemarkeerde Vogelenbuurt. In Tuinwijk waren er geen buurtfeesten, in de Vogelenbuurt stonden geen bomen.

Achter het huis van tante Annie was een grote diepe tuin. Daar stonden appel-, kersen- en perenbomen. Daar groeiden kruisbessen, daar waren schommels. Wij hadden een tuin van niets, waarin wat tegels een konijnenhok en een magere seringenboom. Wij hadden uitzicht op een gasfabriek. Bij tante Annie zag je vrolijke daken waar Sinterklaas de weg op wist.

Tuinwijk daar wilde je, als je later groot was, wonen. Met een hond, een vrouw, drie kinderen op de Majellaschool en een schommelstoel om in weg te dromen.
Uw wijk bestaat nu honderd jaar. Alle reden om er weer eens te komen.
Van harte,

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *