0 8 minuten 3 weken

Votulast

Het klinkt als een aandoening maar is de naam van een wijk in Utrecht. Votulast is de verzamelnaam van een aantal buurten in het zuidwestelijk deel van de wijk Noordoost in Utrecht De naam Votulast is gevormd uit de eerste twee letters van de verschillende buurten, Vogelenbuurt, Tuinwijk Lauwerecht, en Staatsliedenbuurt.

De Lauwerecht

De Lauwerecht was rond 1900 een wijk met veel industrie en nijverheid. Na enkele stadsbranden had het gemeentebestuur van Utrecht bepaald dat de brandgevaarlijke bedrijven naar buiten de stad moesten verhuizen. Lange tijd vormde de Lauwerecht en bemuurde Weerd zelfs een eigen gemeente met eigen schout en schepenen. Langs de Vecht stond ook de Pellecussenpoort. Dit was een soort voorpoort van Utrecht. De Franse troepen hebben deze poort rond 1672 gesloopt. Begin 1700 is de poort afgebroken. Wat rest is de brug bij de Lauwerecht over een nu doodlopend watertje. Dankzij de komst van de Afsluitdijk behoorden overstromingen van de Vecht tot het verleden. Het zwarte water was een actief gebruikte waterweg. De meeste boten werden met een mand de hand voortbewogen. Op die manier werden niet alleen goederen vervoerd, maar ook vee tot zelfs eind jaren 60 naar de veemarkt in het centrum van Utrecht vervoerd.
De schippers die over het zwarte water kwamen maakte vaak handig gebruik van het schutten door als het ware op de golf die ontstond naar de vecht te varen. Aangezien de Lauwerecht eeuwen lang min of meer de toegangsweg vanuit noorden was is het altijd een drukke straat vol winkels en kleine industrie.

De Vogelenbuurt

Het gebied van Vogelenbuurt, Tuinwijk en Tuindorp besloeg in de Middeleeuwen de polders Zeshoeven en Twaalfhoeven. De loop van de oude Vecht door dit gebied is tot op heden af te lezen aan de Koekoeksvaart en de waterlopen in het Griftpark. Ten behoeve van de afwatering van de veengronden werd bovendien de Veengracht gegraven. Deze liep langs de tegenwoordige Zaagmolenkade, door het Majoor Bosshardt Plantsoen via de Leonhard Fuchslaan om uit te komen in een wetering ter hoogte van de Prof. Jordanlaan. Vanwege zijn belang voor de turfvaart werd deze gracht het ‘Zwarte Water’ genoemd. In de omgeving stonden molens, watergebonden bedrijfjes en boerderijen zoals de zeventiende-eeuwse hoeve De Koekoek. Toen Utrecht vanaf rond 1850 buiten de vestingwerken kon gaan bouwen, vestigden zich op de singels vermogende burgers in grote villa’s met uitzicht op het water.
De Vogelenbuurt was de eerste woonwijk die buiten de Stadsbuitengracht werd gerealiseerd. Langs bestaande waterlopen en wegen als Hopakker en de Draaiweg bouwden particulieren grote series woningen. In 1865 was de Koekoekstraat aangelegd langs het traject van het vroegere Molenaarspad, dat de molens in dit gebied met de Biltsche Straatweg (Biltstraat) verbond. In 1907 waren de Nieuwe Koekoekstraat, Kievitstraat, Adelaarstraat en Havikstraat klaar. De molens waren intussen verdwenen, met uitzondering van de korenmolen Rijn en Zon. De Koekoekstraat met in het verlengde de Noorderbrug was lange tijd de enige verbinding van het achterland met de binnenstad. In 1934 werd hieraan de Duifstraat toegevoegd. De Vogelenbuurt heeft twee bekende Nederlanders voortgebracht. Acteur Rijk de Gooijer groeide op in de Adelaarstraat, waar zijn vader een bakkerszaak dreef. Herman van Veen is geboren in de Kievitdwarsstraat.

De Tuinwijk

In 1917 werden de Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij, gevestigd in Amsterdam, en de Maatschappij tot Exploitatie van Staats Spoorwegen in Utrecht samengevoegd tot de Nederlandse Spoorwegen. De nieuwe onderneming koos Utrecht als vestigingsstad en liet in het Moreelsepark, naast de bestaande kantoren voor de spoorwegmaatschappijen, een enorm administratiegebouw verrijzen: de Inktpot.

Bovenstaand stuk tekst kun je vinden in Wikipedia en andere bronnen. Dat de wijk werd gebouwd met ‘misbaksels’ van de inktpot is iets wat je vaker hoort zeggen als het over Tuinwijk gaat. Een mooi verhaal, natuurlijk. Het is waarschijnlijker dat de stenen werden gebakken in dezelfde steenfabrieken.
Het verhaal vermeldt verder dat het gebied waar de woningen gebouwd moesten worden voornamelijk tuinders gebied was. Vandaar de naam voor de nieuwe wijk. Overigens is ‘De Tuinwijk’ onderdeel van de wijk die nu Tuinwijk heet. Ze is heel herkenbaar aan de bijzondere architectuur en inrichting.
Het lag ten noorden van de negen- tiende-eeuwse bebouwing van de Vogelenbuurt en werd in het oosten begrensd door het Zwartewater en in het westen door de Kwakkeldijk.
In het noorden lag de inundatiekade die tegelijk de grens vormde tussen Utrecht en Maartensdijk. De leden van De Tuinwijk en de directeur van Gemeentewerken A.H. Op Ten Noort waren het erover eens dat er op dit terrein een woonwijk moest komen met de opzet van een tuinstad. Op Ten Noort had in april 1917 zelfs al een stedenbouwkundig plan ontworpen.
De gemeente wilde wel meebetalen maar wilde eerst weten wat het rijk zou bijdragen. Bijna de helft van alle kosten moest gedekt worden door de bijdragen van het de overheid. De minister van Arbeid(!), die hadden we toen nog, liet weten dat Den Haag driekwart van die kosten zou dragen. Voor de gemeente was een kwart echter nog te veel . Toen in in het voorjaar van1920 de Nederlandse Spoorwegen ook een bijdrage toezegde, was de financiering rond. Als voorwaarde stelde NS dat in ieder geval de helft van de woningen beschikbaar zouden komen voor NS-personeel.
De architecten Albert Kool en Albert van Rood maakten een ontwerp voor zowel het stratenplan als de woningen. Hierbij wilden zij ook bij het ontwerp van de lantaarnpalen, openbare gebouwen en dergelijke betrokken worden, zodat er zo veel mogelijk harmonie in de wijk zou zijn.
De oostkant van het wijkje werd tot ca.1966 begrenst door water. Dit gedeelte van het Zwartewater werd toen gedempt; de overblijfselen van de Floris Heermalebrug in de brede groenstrook zijn een stille getuige hiervan.

De Staatsliedenbuurt

De Staatsliedenbuurt vormt in meerdere opzichten een herkenbare ruimtelijke eenheid. De bouw van de buurt vond plaats in de jaren vijftig als aanvulling op het vooroorlogse Tuinwijk. In de Staatsliedenbuurt is de stempel- en strokenverkaveling herkenbaar: open bouwblokken, gemeenschappelijke groene ruimtes, jaren vijftig portiekflats van gemiddeld drie of vier lagen hoog – soms met kap en vaak met een bijzondere detaillering (in baksteen) van de gevel – , maar ook laagbouw in twee lagen met een kap. Kenmerkend voor deze naoorlogse bebouwing zijn de aangebrachte vernieuwingen uit de laatste decennia: de gereinigde en verbeterde gevels van de meergezinswoningen, de gemeenschappelijke toegangen die op een in het oog springende manier afgesloten zijn en de nieuwe hekwerken rond de gemeenschappelijke binnentuinen. Op een enkele plaats hebben ingrepen geleid tot een architectonisch bijzonder gebouw, zoals dat is gebeurd met de school op de hoek Troelstralaan – Samuel van Houtenstraat.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.